Twee zielen

(Link naar Humo)

Beeldend kunstenaar Koen Fillet is ook radiomaker. Hij werkt ondertussen ruim 30 jaar voor VRT Radio 1. Samen met Sven Speybrouck maakte hij het spraakmakende programma Jongens en wetenschap. De laatste zeven jaar presenteren Sven en Koen de non- fictietalkshow Interne Keuken. Yves Desmet interviewde Koen Fillet voor Humo over de twee zielen in zijn borst: de schilder versus de journalist.

The Trail, of een spoor, is een metafoor voor jezelf, vind ik.

Blij dat je die ‘vind ik’ eraan toevoegt. Beeldende kunst gaat over wie ernaar kijkt. Mensen vertellen mij vaak wat ze denken dat ik met een schilderij probeer te zeggen, maar eigenlijk zijn ze dan over zichzelf aan het praten, niet over mij. Ik schilder niet vanuit betekenis, maar omdat ik een bepaalde lichtinval of een contrast interessant vind, omdat je dynamiek schept door perspectiefwisseling – puur vormelijke redenen eigenlijk, niet om een boodschap te vertellen. Ik begin te schilderen, en terwijl ik dat doe, kijk ik zelf ook naar mijn schilderijen, en pas dán krijgen ze betekenis, achteraf. Andere schilders doen het andersom; ze willen een boodschap in vorm omzetten. Ik niet. Ook mijn portret van aartsbisschop Léonard indertijd was geen aartsbisschop, maar wel lichtinval en contrast. En dat licht viel dan per toeval op een aartsbisschop, die me in wezen niet echt interesseerde. In die zin is alles wat ik schilder eigenlijk abstract: lijnen en vlakken en contrasten.

Ik wil niet te veel vertellen over de betekenis die ik aan mijn schilderijen geef, want dan stoppen de toeschouwers met zelf te kijken en te interpreteren. Het is net interessant wanneer iedereen er zijn eigen betekenis in mag leggen.

Maar wat als iemand er betekenissen in legt die zowat haaks staan op wat jij probeerde te zeggen?

Dat is rampzalig voor een kunstenaar die een statement wil maken en vanuit betekenis vertrekt, want dan is die mislukt (lacht). Maar zo werkt het bij mij niet, ik vind het net boeiend als mensen er allerhande connotaties aan vasthangen die niet de mijne zijn. Ik heb ooit een doek gemaakt waarop witte schorten aan een haakje hingen, meer was het niet. Maar wat voor mij een studie naar wit, contrast, licht en verf was, werd voor iemand anders plots een symbool voor het Laatste Avondmaal, omdat er dertien schorten hingen, wat ik tijdens het schilderen niet eens had opgemerkt. Ik had doktersschorten geschilderd, maar sommige mensen zagen er de schilderskielen van de kunstacademie in, en dus werd het voor hen een statement dáárover. Dat is toch schoon?

Ik zie hier de trail van Koen zelf in, het wankele, moeizame pad dat naar iets onzichtbaar leidt. Van radiomaker naar kunstenaar, ook al breek ik onderweg mijn benen over dat gammele bruggetje, ook al zal mijn spoor binnen vijftig jaar weer overwoekerd zijn.

Dat mag je. (lacht) Ik ga zelfs niet ontkennen dat ik dat soort bedenkingen ook gemaakt heb. Kan je er een metafoor voor mijn leven in zien? Ja, dat kan, maar ik ben niet vertrokken vanuit de behoefte mijn leven te verbeelden. Misschien zegt de betere psychiater dat ik me daar dan niet van bewust was, maar dat vanuit mijn onderbewuste is bovengekomen wat moest bovenkomen. Het zou kunnen.

Wanneer is het eigenlijk begonnen, dat schilderen? Want je hebt in je jonge jaren een kunstopleiding gevolgd.

Meer dan dertig jaar geleden. Ik was verliefd op een meisje dat ook naar Sint-Lucas ging, maar dat bleek niet de juiste motivatie te zijn (lacht) en het is dus fout gelopen. Met dat meisje én de opleiding. Ik deed trouwens grafiek, geen schilderkunst. Ik heb die hele periode nooit een borstel of een tube verf vastgehad, of zelfs maar gezien. Dan ben ik bij de VRT beland, dertig jaar bezig geweest met dagelijkse programma’s. Toen begon ‘Interne keuken’, een wekelijks programma, en kwamen er plots avonden vrij. Dan ben ik op de academie gaan modeltekenen, omdat ik daar al jaren zin in had. Op mijn 50ste kreeg ik van mijn vrouw een houten doosje cadeau met tien tubes olieverf en Van Gogh op het deksel. En voilà, vijf jaar later zitten we hier.

Hoe overwin je de onzekerheid van de late debutant?

De onzekerheid ging nooit over het tekenen en schilderen zelf, wel over ermee naar buiten komen. Daar was ik extreem onzeker over, ook al vanwege die status van kleine bekende Vlaming. Je weet dat je buitensporig veel aandacht zult krijgen, die daarom niet gerelateerd is aan de kwaliteit van je werk. ‘Kijk! Een bekende radiomens doet iets raars!’ – dat fenomeen.

Ik zat op mijn werk toen ook – hoe modieus het misschien moge klinken – tegen een beginnende burn-out aan te hikken. Het idee dat je alles wat je met radio kunt doen wel gedaan hebt, dat je er klaar mee bent, dat je vaktechnisch niet veel meer kunt leren of groeien. Ik wilde ook niet de hiërarchie in, dus wat moest ik hier dan nog 15 jaar zitten doen, dat zat heel erg in mijn hoofd. Ik kon ook niet anders dan radiomaken, dacht ik. Want ik kon wel wat tekenen, maar je durft niet te denken dat dat ook echt iets voorstelt. Ik heb zelfs nooit tegen mijn vrouw durven te zeggen dat ik misschien wel een kunstenaar was. Het heeft heel lang geduurd voor ik dat tegen mezélf durfde te zeggen. Nu, vijf jaar later, heb ik een evenwicht gevonden. Mijn ongelukkigheid op de VRT is opgelost: ik ben vier vijfde gaan werken. En dat programma ‘Interne keuken’ blijft een aarding met de realiteit, misschien komt daar af en toe zelfs inspiratie uit.

Toch ben je pas op je 50ste begonnen met wat duidelijk je grote passie is. Andere kunstenaars hebben op hun 20ste al iets van: ‘Hier sta ik en ik kan niet anders.

Tja, ik heb dat nu pas. Waarom? Ik weet het niet. Het is ontploft toen ik voor het eerst met verf aan de slag ging, toen wou ik ieder vrij uur naar mijn atelier.

Wat deden passionele saxofonisten vóór Adolphe Sax de saxofoon had uitgevonden? Het komt pas als je er kennis mee kunt maken. En bij mij was het pas op mijn 50ste dat ik de verf ontdekte. (Bekijkt me) Je gelooft me niet, jij wilt als interviewer natuurlijk dat ik iets over mijn ziel vertel (lacht).

Ze betalen me daarvoor, ja.

Er is meer aan de hand… In de journalistiek probeer je zo begrijpelijk en eenduidig mogelijk iets uit te leggen, zodat er zo weinig mogelijk ruimte is voor interpretatie. Dat staat haaks op schilderkunst, waar je zoveel mogelijk interpretaties en gevoelens toelaat. Van de helderheid naar het mysterie, van ratio naar emotie en intuïtie, van zekerheid naar twijfel. Van woord naar beeld ook.

Misschien ben ik wel ontgoocheld geraakt in het woord, ja. Als je de politieke discussies ziet die vandaag worden uitgevochten met dat woord… Als journalist heb je toch de illusie dat het woord een vaste betekenis heeft, je houvast geeft. Dat blijkt in deze tijden steeds minder het geval: we sluiten ons op in onze eigen woorden, betekenissen en denkkaders, en geen woord is nog in staat ons daaruit te halen, ons te overtuigen dat de waarheid iets anders kan zijn dan wat we zelf denken en geloven. We beleven de absolute devaluatie van taal. Hoe meer je uitlegt, hoe erger je het zelfs lijkt te maken. Je verzuipt vandaag in de meningen en de meninkjes, ik word daar doodziek van. Ontgoocheld in de journalistiek ook, ja, die haar pretenties niet waarmaakt. Achteraf besef ik nu dat schilderen daar misschien een vlucht uit is, en tegelijk een antwoord, een bevrijding.

We willen alleen de echo’s van ons eigen gelijk nog horen.

Onze eigen experts, onze eigen mening. Daar ben ik in de kunst van verlost. Ik kan iets vertellen zonder ruzie te hoeven maken over of ik nu een realist of een gutmensch ben,  links of rechts, een islamofoob of een islamknuffelaar.

Radio is ook uitvergroten: je zegt nooit tweehonderdvijftigduizend, je zegt altijd (zet radiostem op) een kwárt miljoen. Hoe theatraler hoe beter. Maar in het atelier is het stil en dat vind ik geweldig.

Misschien is dat: je afkeren van de wereld? Maar ik vind het zalig.

Ik blijf zeuren: die late start, kan dat ook door andere dingen veroorzaakt zijn? Angst, om maar iets te noemen?

Ik heb op een bepaald moment al mijn moed bijeengeraapt en aan kunstenaar Hans Op de Beeck gevraagd wat hij van mijn werk vond. Zijn eerste reactie was: ‘Gij moet professioneel gaan, Koen.’ Zonder die woorden had ik waarschijnlijk nooit tentoongesteld. Ik was blijven schilderen, maar ik zou er nooit mee naar buiten gekomen zijn.

Mediamensen zijn allemaal ijdel, alleen de ernst van de pathologie verschilt. Lees mij, beluister mij, hou van mij. No way dat je een schilder in de duisternis gebleven zou zijn.

Dat is waar. (Stilte) Het ultieme doel van mensen op de radio is te mogen presenteren, en dat heeft ook met ijdelheid te maken. Je geniet daar een aantal jaren van, met ‘Jongens en wetenschap’ schrijf je radiogeschiedenis, dat is allemaal geweldig, maar daar zit ook een vervelende kant aan: de luisteraar begint te geloven dat hij je echt kent. Als Pol Goossen op de Vogelmarkt rondloopt en als Frank Bomans aangesproken wordt, kan hij zeggen: ‘Momentje, ge verwart mij met mijn rol.’ Maar als ze mij aanspreken als Koen Fillet, dan kan ik moeilijk uitgelegd krijgen dat de Koen Fillet die de mensen van de radio kennen óók een personage is. Ik speel een rol en geef maar een klein stukje bloot van wie ik écht ben, een stukje dat ik dan ook nog eens uitvergroot. Een ander stuk, dat misschien wel veel meer de echte Koen Fillet is, zit dan weer liever anoniem in zijn atelier. (Stil) Maar toch wil die dan graag een tentoonstelling, dus toegegeven: mijn redenering bijt zichzelf in de staart (lacht).

Welke andere Koen Fillet zit er in je schilderwerk?

De stille contemplatieve. De man wiens vrouw, kinderen en radiowerk zijn contacten met de wereld zijn, maar die in een ander leven misschien wel zonder veel problemen een kluizenaar had kunnen zijn. En die, hoe contradictorisch ook, dan weer tegelijk enorm kan genieten van de reacties van mensen die betekenissen in zijn werk zien die hij er zelf niet in gestoken had.

Zit het BV-schap je soms in de weg?

Ja, omdat dat het moeilijker maakt jezelf correct in te schatten. Krijg je schouderklopjes of kritiek door je werk als kunstenaar of omdat je een beetje bekend bent? Ondertussen ben ik daar wat geruster in, ook al blijft er twijfel en onzekerheid. Ik twijfel over elk schilderij, maar ik twijfel niet meer over mijn kunstenaarschap. Ik heb ook betrekkelijk weinig van dat soort kritiek gehoord, al zal men het natuurlijk niet makkelijk in mijn gezicht zeggen.

Kunstenaar zijn vraagt naast talent ook daadkracht.

Dat is zo. Pas na dat compliment van Hans Op de Beeck ben ik echt in gang geschoten. Je moet niet alleen schilderen, maar ook organiseren, want anders is er geen tentoonstelling. Grote creativiteit en nul resultaat, daar ben je weinig mee.  Het geniaalste idee dat niet wordt uitgevoerd is waardeloos.

Ik ben er trouwens achter gekomen dat je enkel een betere schilder wordt door te schilderen, door het te doen. Het heeft niet alleen met creativiteit te maken, maar met doorwerken: ‘Nee, ik kijk vanavond niet naar Netflix, ik ga naar het atelier (lacht).

Het lijkt haast op een wedergeboorte.

Daar zou je gelijk in kunnen hebben: ik heb mezelf herontdekt. Toen ik de stap nog niet gezet had, keek ik met grote bewondering naar mensen die het wel al hadden gedurfd: Geert Van Istendael, die van journalist schrijver wordt, dichter dan nog wel. Frank Vander linden, die zelf muziek gaat maken en foert durft te zeggen tegen Humo.

Had je dit ook gekund op je 30ste?

Op mijn 40ste wel, stom dat ik toen nog niet begonnen ben. Op mijn 30ste? Misschien. Maar ik hoor bij een generatie waar de jongens die met muziek bezig waren het als hun allerhoogste droom beschouwden om openingsact van Torhout-Werchter te zijn. Dat was de allerhoogste ambitie. En nu gaat iemand van 20 voor niet minder dan de hele wereld.

Ik was een laatbloeier, de VRT en de radio zijn mijn universiteit geweest, pas toen heb ik ervaren dat ik meekon met de jongens en meisjes die wél universiteit hadden gedaan. Ik was al 20 toen ik uit mijn humaniora sukkelde. Op mijn 25ste stelde mijn zelfbeeld niet veel voor. Ik werkte met vrijstelling van stempelcontrole voor 11.11.11, en ze zochten bij de VRT iemand om iets te doen over ontwikkelingshulp. Toen werd dat soort programma’s nog gemaakt (lacht). En ik stelde mezelf voor als iemand die daar iets van kénde, niet als de werkloze die daar wat klusjes deed. Ik heb mezelf daar dus echt binnengeluld (lacht). En pas op de VRT heb ik ontdekt dat ik talenten en kwaliteiten heb.

Ik proef een jeugdtrauma.

Misschien wel. Moet je mijn levensgeschiedenis kennen om mijn werk te begrijpen? Nee. Kon ik dit soort dingen schilderen zonder die geschiedenis? Ook niet. Het is mijn weg geweest. Er zijn genieën als Basquiat die dat op hun 18de kunnen, mij is dat niet gegund geweest. Maar goed, water kan uit veel bronnen komen. (Lange stilte) Dat ik op mijn 25ste een negatief zelfbeeld had, kwam ook doordat mijn omgeving – en waarschijnlijk zelfs met goede bedoelingen – me mijn hele jeugd lang had laten verstaan dat ik niet goed was in wat ik deed. Een omgeving die alleen je buizen ziet, niet de dingen waarin je wel uitblinkt. Dat is de diepe grond, een kwetsuur die sporen nalaat, en waarover het tot vandaag moeilijk praten blijft. De kwaliteiten die ik vandaag heb, zullen er in potentie toen ook al wel geweest zijn, zeker? Alleen durfde ik ze toen niet te tonen of te gebruiken. Ik ben eroverheen geraakt door goede radio te maken, maar het blijft hangen. Toen ik begon te schilderen, zat 25 jaar later toch nog altijd ergens onderbewust dat stemmetje: iemand gaat ontdekken dat ik dit eigenlijk absoluut niet kan, en dat ook heel luid tegen iedereen zeggen, en dan sta ik daar als oplichter. (Stil) Een mens zit raar in elkaar, niet?

Je portret van aartsbisschop André Léonard was heel hard: een door en door vermoeide man. Ik vond het verrassend dat ze het aanvaard hebben.

Ik ben echt blij dat je dat zegt, want ik kreeg uit sommige hoeken net de kritiek dat ik een kritiekloze opdrachtschilder van staatsieportretten was geworden. Die mensen hebben echt niet goed gekeken. Hij heeft het niet met zoveel woorden gezegd, maar ik voelde dat Léonard het resultaat niet echt mooi vond. Zijn entourage wel. Het is ook een keihard schilderij geworden, met heel harde contrasten. Misschien genadelozer dan ik als interviewer ooit zou kunnen, ja. Wat uit dat schilderij spreekt, zou ik niet in woorden durven te vatten, maar met penselen lukt me dat wel. En dan is het aan de kijker om de betekenis in te vullen. (Stil) Wat misschien wel een vorm van lafheid is. En een bekentenis: dat ik als journalist nooit kan uitdrukken wat met verf wel lukt.

Nu zeg ik alleen maar dat ik journalist ben als ik daardoor een treinabonnement kan krijgen, maar ik vind oprecht dat de journalistiek niet langer waarmaakt wat ze pretendeert te zijn: de vierde macht. De kritische blik, het onderzoeken van de macht moet het meer en meer afleggen tegen een eindeloze stroom meninkjes. Ik noem mezelf altijd radiomaker, nooit journalist.

Omdat je veel empathischer interviewt dan de doorsnee-Wetstraatjournalist, die altijd superkritisch moet overkomen…

…altijd advocaat van de duivel moet spelen, tegen een ‘witte’ politicus moet zeggen dat er voor ‘zwart’ toch ook veel te zeggen valt, en omgekeerd. Vragen die de politicus ook verwacht en waarvoor hij een debatfiche klaar heeft. Ik vraag dan liever – zelfs al denk ik zelf zwart – om uitleg: waarom is wit nu juist beter, leg me dat eens uit, hoe ben je daarbij gekomen, heb je altijd zo gedacht? In het beste geval krijg je zo inzicht in hoe dat hoofd werkt en in elkaar zit, en leer je iets bij, in plaats van nog eens wat clichés te herhalen.

Het mooiste in een interview is twijfel, zoeken en tasten, terwijl het die politici hun beroep is om zekerheid te etaleren, want twijfelen is een zwakte. Maar een accident of een fout kan zo mooi zijn: verf die niet doet wat je wilt, die druipt en daardoor toch iets interessants doet ontstaan. De schoonheid van het imperfecte, van het toevallige accident. Dat is toch fantastisch?

Stel dat je ervan zou kunnen leven, stop je dan met de radio?

Drie jaar geleden zou ik meteen ja hebben gezegd. Maar ondertussen heb ik er opnieuw plezier in gevonden, radio geeft ook structuur en aarding aan je leven. Zaterdag uitzending, zondag en maandag schilderen, dinsdag redactievergadering, woensdag schilderen, donderdag en vrijdag de uitzending voorbereiden. Dat is goed, het geeft inhoudelijke prikkels, het verplicht je veel te lezen, en dat zal ook mijn werk wel inspireren, al kan ik niet echt de vinger leggen op wat nu juist invloed heeft gehad op welk werk. Ik maak geen politieke of maatschappelijke schilderijen.

Ik herinner me dat jullie ooit een item hadden over de zon die over 4 miljard jaar zal ontploffen. Het bos dat onvermijdelijk je bruggetje overwoekert zegt eigenlijk hetzelfde: uiteindelijk heeft het in het licht van de geschiedenis allemaal geen zin.

Dat relativeert echt alles kapot, ja. Het heelal is totaal onverschillig tegenover de geschiedenis van de hele mensheid. Dus zeker tegenover het schilderwerk van Koen Fillet. Alles wat je doet, is een krampachtige poging om de wereld vorm te geven, maar als je er even niet naar omkijkt, is het weg. Het is geen hoopvolle gedachte, maar ik geef toe: het zit in nogal wat van mijn werk ingebakken. Terwijl je als mediamens natuurlijk moet blijven beweren dat vandaag weer eens een historische dag was. En deze aflevering van ‘Interne keuken’ de beste en uniekste ooit. Je moet daar de dingen altijd groter maken, terwijl ik ze schilderend eigenlijk veel liever kleiner en echter maak.

(Yves Desmet)

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.